een1een (geen afbreking)/en/ nl behoofd­tel­woord901–1000 ~ La­tijn unus, Grieks oinos [één op een dob­bel­steen]dubbelgangers1 na het aan­wij­zend voor­naam­woord wordt de ver­bo­gen vorm ‘ene’ ge­bruikt het klein­ste po­si­tie­ve ge­he­le ge­tal, twee min­der dan drieeen, twee, drieer is één God en Mo­ham­med is zijn pro­feetdie ene man, dat ene kind, de­ze ene au­togeen an­der dan het be­paal­deniet één= nie­mandgeen eengeen en­keleen van bei­deeen van de­ze din­gen of ver­schijn­se­lenhet is een van bei­de: óf gaan, óf blij­veneen van bei­deneen van de­ze per­so­neneen van mijn of mij­ner vrien­denspreekwoord één keer is geen keer, één is geen= een­maal is geen maalspreekwoord één man is geen manis veel te wei­nigmeer dan eenver­schei­de­nespreekwoord twee we­ten of zien meer dan eeneen voor eentel­kens een en­ke­le (per­soon of zaak)uitdrukking één van tweeën, van tweeën één, van twee din­gen éénslechts een van de (ge­noem­de) mo­ge­lijk­he­den geldt, kan ge­beu­rensport een op een spe­lenman­dek­king toe­pas­senéén de­zer da­gen= bin­nen­kortspreekwoord be­ter één dan geenbe­ter iets dan nietshon­derd of tien te­gen of om een (dat …)er be­staan hon­derd resp. tien kan­sen (bv. dat het niet ge­beurt) te­gen één kans (dat het wel zo zal zijn)tien te­gen een dat hij ’t niet kanwed­den dat hij het niet kanuitdrukking el­ke stem is er eeneen stem meer of min­der kan van gro­te in­vloed zijnspreekwoord el­ke gul­den, el­ke eu­ro is er een, el­ke gul­den, el­ke eu­ro teltal­les is van be­langland­bouw; mbt. bep. ge­was­sen, zo­als bie­ten en wit­lof op één zet­ten= uit­dun­nenuitdrukking; schert­send aan el­ke vin­ger éénge­zegd om aan te ge­ven dat iem. wel meer dan één vrij­er of vrij­ster kan krij­genuitdrukking daar loopt er een van de vijf (te) kui­e­ren, bij hem is er een op de loophij is niet goed wijsuitdrukking; li­to­tes niet een van de slim­sten, de snug­ger­sten, de snel­sten zijnbe­paald dom, lang­zaam zijnuitdrukking; schert­send een van de ne­gen­en­ne­gen­tigeen on­der­wij­zeruitdrukking er een voor twee ziendron­ken zijnook als eer­ste lid in sa­men­ge­stel­de tel­woor­den als de vol­gen­de, waar­in het twee­de lid een tien­tal noemt: een­en­der­tig, een­en­ne­gen­tig, een­en­tach­tig, een­en­twin­tig, een­en­veer­tig, een­en­vijf­tig, een­en­zes­tig, een­en­ze­ven­tig2 me­to­ny­misch; na een voor­zet­sel wordt soms de ver­bo­gen vorm ‘enen’ ge­bruikt één uurhet is bij enenbij­na één uur3 me­to­ny­misch één mi­nuuteen voor twee4 soms in de ver­bo­gen vorm ‘ene’ in te­gen­stel­ling met ‘ander’«De een zegt dit, de an­der dat. Zo is er al­tijd wat waar­aan ge­tornd moet wor­den.» Hans Vlekvan per­so­nen, die ko­men resp. gaan de een voor, de an­der naeen voor een, na el­kaarde een of ene wil dit, de an­de­re datdood­doe­ner, m.n. ge­bruikt om een keu­ze als wil­le­keu­rig voor te stel­lende een of an­derie­mand, een wil­le­keu­rig per­soonhet een of an­deriets, een wil­le­keu­rig dingeen en an­derhet ge­noem­deeen en an­der kunt u na­le­zen op on­ze web­siteniet om het een of an­der, maar …ter uit­druk­king dat je met het ge­zeg­de geen per­soon­lijk be­lang of een af­keu­ring be­oogt, maar het als re­de­lijk of bil­lijk wilt op­mer­kenhet een en an­dereni­ge za­kenhet een door het an­der= door el­kaar ge­no­menter ener …, ter an­de­rer zij­deaaan de ene …, aan de an­de­re zij­debener­zijds …, an­der­zijds …uitdrukking je kunt het ene doen en het an­de­re niet la­tenhet een sluit het an­der niet uituitdrukking van het een op het an­der ko­menvan de eerst ge­noem­de han­de­ling, het eerst ge­noem­de ge­spreks­on­der­werp lo­gisch op de of het vol­gen­de over­stap­pen5 zelf­stan­dig ge­bruikt in de vorm ‘enen’ één exem­plaar, in­di­vi­du, deelin enenain één keer, in één sprong enz.b= met­een, plot­se­lingcaan een stukmet enen mar­che­renman voor man ach­ter el­kaar6 me­to­ny­misch eer­steblad­zij eende eer­ste blad­zij­denum­mer eende of het eer­ste in een rang­or­dehij is num­mer een in zijn klaseen zijn (bij een wed­strijd, bij een spel)de eer­ste, de eer­ste spe­lerniet al­ge­meen één aan­ko­mende eer­ste zijn die aan­komtik ben één, zei de hondge­zegd van of te­gen iem. die zich­zelf het eerst noemt7 de­zelf­de, het­zelf­de«Laat ons zijn wat wij deel­den, eters van één vlees, broers.» Ger­rit Kou­we­naarvan één moe­der, van één va­der zijnop één dag ge­bo­ren zijnuitdrukking on­der één dak wo­nenhet­zelf­de huis be­wo­nenéén doel heb­benuitdrukking (met iem.) één lijn trek­kenahet­zelf­de pro­be­ren te be­rei­kenbin ’t bij­zon­der op de­zelf­de ma­nier han­de­len, een­zelf­de stand­punt in­ne­men, el­kaar dek­ken= sa­men­wer­kenvan één groot­teeven grooteen en de­zelf­de of het­zelf­dever­ster­king van ‘dezelfde’ resp. ‘hetzelfde’8 in z’n ge­heel, niets an­ders dan, ge­heel en al, geen tweevan een ter­rein één zee, één mod­der zijnge­heel en al on­der wa­ter staan resp. met mod­der be­dekt zijneen en alge­heel en alna de dijk­door­braak was de pol­der een en al mod­deruitdrukking ’t is ene of een moei­tehet kost geen ex­tra in­span­ninguitdrukking in één ademzon­der tus­sen­po­zenuitdrukking met of in één woordkort ge­zegduitdrukking als één man= eens­ge­zind9 soms in de ver­bo­gen vorm ‘ene’ een ge­heel ge­wor­den, vor­mendeen (en on­ver­deeld) zijn, blij­venniet te schei­denman en vrouw zijn eenge­schie­de­nis de ene en on­deel­ba­re re­pu­bliekade eer­ste Fran­se Re­pu­bliekbde Ba­taaf­se Re­pu­bliekeen zijn met …tot een ge­heel ver­bon­den zijn, iden­tiek zijn met …uitdrukking één huiseen ge­bouw dat door één fa­mi­lie be­woond wordt
premium

Onbeperkt toegang tot het complete online woordenboek

Nú voor maar
€ 1,25 p/week
Maandelijks opzegbaar.
Lees direct verder

1
geheel
cluster compleet complex ensemble heel helemaal intact ongeschonden perfect set som totaal totaliteit tros verzameling vol volkomen volledig volslagen
2
geheel (bijvoeglijk naamwoord)
complete eindafrekening eindbedrag eindscore eindtotaal gehele optelling optelsom totaal totale totaal totale som volledig verzameling volledige
3
geheel (bijwoord)
com­pleet des te he­le­maal o­ver- to­taal vol­le­dig
4
geheel (zelfstandig naamwoord)
alles module modulus totaliteit

1
Uitspraakvariant Een
den mijn ten z'n men m'n zijn
2
Uitspraakvariant drain
den mijn ten z'n men m'n zijn

1
geheel
cluster compleet complex ensemble heel helemaal intact ongeschonden perfect set som totaal totaliteit tros verzameling vol volkomen volledig volslagen
2
geheel (bijvoeglijk naamwoord)
complete eindafrekening eindbedrag eindscore eindtotaal gehele optelling optelsom totaal totale totaal totale som volledig verzameling volledige
3
geheel (bijwoord)
com­pleet des te he­le­maal o­ver- to­taal vol­le­dig
4
geheel (zelfstandig naamwoord)
alles module modulus totaliteit

1
lidwoord een a, (voor klinkerklank) an: a op een (goeie) dag one (fine) day b neem een Oprah Winfrey take s.o. like an Oprah Winfrey (ongeveer) a, some: over een dag of wat in a few days (in uitroepen) a, some: a wat een mooie bloemen! what beautiful flowers! b wat een idee! what an idea!
Uitgebreide Engelse vertaling »
1
lidwoord een a, (voor klinkerklank) an: a op een (goeie) dag one (fine) day b neem een Oprah Winfrey take s.o. like an Oprah Winfrey (ongeveer) a, some: over een dag of wat in a few days (in uitroepen) a, some: a wat een mooie bloemen! what beautiful flowers! b wat een idee! what an idea!
Uitgebreide Duitse vertaling »